MP3
Bijbelgedeelten
- Mattheus H2 1-12
- Zie ook de beschrijving onder de songtekst.
Songtekst
Vers 1
Ver in het oosten, in de donkere nacht,
waakten wijzen, stil en klein.
Toen brak een nieuwe ster door ’t duister,
helderder dan anderen met hun schijn.
Zij kenden Gods oude beloften,
en volgden trouw het hemels licht.
Hun harten zochten naar de Koning,
door God Zelf vroeger aan hun bericht.
Vers 2
Eerst kwamen zij in Jeruzalem,
en vroegen: “Waar is Israëls Heer?
Wij zagen Zijn ster in het oosten,
wij kwamen om Hem te geven alle eer.”
Herodes schrok, de stad werd onrustig,
de Schrift wees Bethlehem toen aan.
De wijzen volgden weer de ster,
terwijl de anderen bleven staan.
Vers 3
Toen verscheen opnieuw de ster,
zij wees precies de woning aan.
Daar troffen zij het Kind met Jozef en Maria aan.
Zij knielden neer en aanbaden Hem.
Zij brachten goud en reine wierook,
en mirre als kostbaar eerbewijs.
De Koning kwam in diepe eenvoud,
maar waardig alle lof en prijs.
Vers 4
God waarschuwde hen in een droom:
“Keer niet langs Herodes weg terug.”
Zij gehoorzaamden de HEERE,
en gingen langs een andere weg terug.
Zo roept de Heere ook ons heden:
zoekt Christus zoals eens de wijzen deden,
Wie in het geloof tot hem gaat,
ontvangt Zijn heil dat nooit vergaat.
Over dit lied
De wijzen uit het Oosten
De geschiedenis van de wijzen uit het Oosten staat in Mattheüs 2:1–12. Kort na de geboorte van Jezus verschijnen in Jeruzalem onverwachte bezoekers uit een ver land. Zij komen met één vraag:
„Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.”
Hun komst is bijzonder. Terwijl in Jeruzalem nauwelijks iemand lijkt uit te zien naar de geboren Messias, hebben deze mannen van ver een lange reis gemaakt om Hem te zoeken en te aanbidden.
Wie waren deze wijzen?
Mattheüs noemt hen wijzen — het Griekse woord magoi. Waarschijnlijk waren het geleerde mannen uit het Oosten die zich bezighielden met onder andere sterren, oude geschriften en de kennis van hun tijd.
Waar zij precies vandaan kwamen, vertelt Mattheüs niet. Vaak wordt gedacht aan Babylonië of Perzië, gebieden waar dergelijke wijzen bekend waren.
Ook weten we niet hoeveel het er waren. De bekende voorstelling van drie wijzen is waarschijnlijk ontstaan doordat zij drie soorten geschenken meebrachten: goud, wierook en mirre. Evenmin zegt de Bijbel dat zij koningen waren.
Het belangrijkste is niet hun aantal of hun precieze afkomst, maar Wie zij zochten.
„Wij hebben Zijn ster gezien”
De wijzen hadden een bijzondere ster gezien en begrepen dat deze verbonden was met de geboorte van de Koning der Joden.
Hoe zij dat precies wisten, vertelt de Schrift niet.
Er is echter een opmerkelijke overeenkomst met een eeuwenoude profetie. Bileam had over Israël gesproken:
„Er zal een Ster voortgaan uit Jakob, en er zal een Scepter uit Israël opkomen.”
— Numeri 24:17
We kunnen niet met zekerheid zeggen dat de wijzen deze profetie kenden. Toch is de verbinding treffend: eeuwen eerder was gesproken over een Ster uit Jakob en een heerser uit Israël, en nu komen mannen uit het Oosten omdat zij een ster hebben gezien en vragen naar de geboren Koning.
Jeruzalem schrikt
Hun vraag veroorzaakt grote onrust.
„De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.”
Herodes roept de overpriesters en Schriftgeleerden bijeen en vraagt hun waar de Christus geboren zou worden.
Zij weten het antwoord onmiddellijk.
Bethlehem.
Ze verwijzen naar de profetie van Micha:
„En gij Bethlehem, gij land Juda, zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.”
— zie Micha 5:1 / Mattheüs 2:6
Hier ontstaat een aangrijpend contrast.
De Schriftgeleerden kennen de plaats, maar de wijzen gaan op reis.
De één bezit de kennis van de profetie; de ander gaat daadwerkelijk op zoek naar de Koning over Wie de profetie spreekt.
Herodes wil een andere koning niet dulden
Herodes heeft een heel andere reactie. Hij vraagt de wijzen nauwkeurig wanneer de ster verschenen is en stuurt hen naar Bethlehem. Hij zegt dat hij het Kind ook wil aanbidden.
Maar dat is bedrog.
Herodes ziet Jezus niet als de beloofde Koning Die hij wil aanbidden, maar als een bedreiging voor zijn eigen troon.
Zo zien we rondom het Kind drie verschillende reacties:
de wijzen zoeken Hem, de Schriftgeleerden weten van Hem, Herodes verzet zich tegen Hem.
Die verschillende reacties op Christus lopen later door het hele Evangelie heen.
De ster leidt hen naar Christus
Wanneer de wijzen Jeruzalem verlaten, zien zij opnieuw de ster.
Mattheüs schrijft:
„Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.”
De ster gaat voor hen uit totdat zij komt te staan boven de plaats waar het Kind is.
Daar vinden zij Jezus met Maria, Zijn moeder.
Mattheüs spreekt hier over een huis, niet over de stal. Het is daarom goed mogelijk dat er enige tijd verstreken was sinds de geboorte van Jezus.
Zij vallen neer en aanbidden Hem
Dan bereikt hun lange reis haar doel:
„En nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden.”
Dat is misschien wel het belangrijkste moment van de hele geschiedenis.
Ze komen niet alleen kijken naar een bijzonder Kind. Ze vallen neer.
Daarna openen zij hun schatten en geven Hem:
goud, wierook en mirre.
Over de precieze symboliek van deze drie geschenken zegt Mattheüs niets. Christenen hebben er later vaak betekenissen in gezien — goud voor een koning, wierook voor God en mirre als vooruitwijzing naar lijden en sterven. Dat zijn mooie gedachten, maar we moeten ze niet presenteren alsof Mattheüs deze uitleg zelf geeft.
Wat de tekst wél duidelijk maakt, is dat de wijzen kostbare schatten voor Jezus openen.
Zij kwamen om Hem te aanbidden — en geven Hem van hun rijkdom.
Mensen van ver komen tot de Koning
Er zit nog iets bijzonders in deze geschiedenis.
De wijzen behoren niet tot Israël. Het zijn mensen uit de volken, uit een ver land. Toch komen juist zij om de Koning der Joden te aanbidden.
Dat past bij een grotere lijn door de Schrift. God had aan Abraham beloofd:
„…in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.”
— Genesis 12:3
En Jesaja profeteerde over de komende Knecht des HEEREN:
„Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen…”
— Jesaja 49:6
Aan het begin van het Mattheüsevangelie zien we daar al iets van: mensen uit de volken komen van ver om Christus te zoeken.
En aan het einde van hetzelfde Evangelie zal Christus Zijn discipelen uitzenden:
„Gaat dan henen, onderwijst al de volken…”
— Mattheüs 28:19
Een opvallende tegenstelling
Misschien is dit wel een van de indringendste lessen uit deze geschiedenis.
De Schriftgeleerden waren dichtbij. Zij bezaten de Schriften en konden zelfs precies aanwijzen waar de Messias geboren moest worden.
De wijzen waren ver weg.
Maar toen zij hoorden waar Christus te vinden was, gingen zij.
Bijbelkennis op zichzelf brengt een mens dus nog niet aan de voeten van Christus. De Schriften zijn juist gegeven om ons naar Hem toe te leiden.
De wijzen rustten niet voordat zij de Koning gevonden hadden.
En toen zij Hem vonden, was hun reactie:
vreugde, aanbidding en het openen van hun schatten.
De kern van De wijzen uit het Oosten
De geschiedenis van de wijzen laat zien hoe God mensen van ver naar Zijn Zoon leidt.
Een ster brengt hen in beweging. De Schrift wijst hun Bethlehem aan. En uiteindelijk vinden zij niet slechts een plaats, maar Christus Zelf.
Zo kun je hun geschiedenis samenvatten:
Zij zagen Zijn ster en gingen op weg. Zij hoorden Gods Woord en gingen naar Bethlehem. Zij vonden het Kind en vielen voor Hem neer. Zij openden hun schatten en aanbaden de geboren Koning.
De wijzen kwamen van ver om Christus te zoeken.
Maar de grootste verwondering is misschien wel dat God hen naar Zijn Zoon leidde.
Bijbelgedeelten: Mattheüs 2:1–12; Numeri 24:17; Micha 5:1; Jesaja 49:6.