MP3
Bijbelgedeelten
- Mattheüs 20 1-16
- Zie ook de beschrijving onder de songtekst.
Songtekst
Vers 1
Toen d’ ochtend nog haar dauw behield,
ging de Heer naar ’t marktplein heen.
Hij zag mannen werkloos wachten,
niemand nam hen met zich mee.
“Komt, gaat heen werken in Mijn wijngaard,
één penning is uw dagloon waard.”
En zij gingen op Zijn roepen,
werkend naar Zijn woord.
Vers 2
Toen de zon reeds hoger klom,
ging de Heer opnieuw op weg.
Nog andren zag Hij werkloos staan,
zonder hoop, zonder werk.
"Kom ook gij in Mijn wijngaard werken;
wat recht is, zal Ik u geven."
Zij vertrouwden op Zijn goedheid,
Op Zijn woord hun gegeven..
Van 't eerste uur tot 't elfde uur,
Zijn stem bleef mensen roepen.
De Heer zocht zelf de werkelozen,
die niemand wilde huren.
Refrein
Genade kent geen mensenmaat,
zij vloeit uit Gods ontferming.
Niet wie 't langst heeft ge-arbeid,
maar wie leeft van Zijn genade.
Eén is 't loon voor al Gods kindren,
één is Christus, één het leven.
Niet verdiend door eigen werken,
maar uit vrije gunst gegeven.
Vers 3
Toen de avond was gekomen,
klonk het woord van de Heer:
"Roep nu de arbeiders tezamen,
geef hun het toegezegde deel.
Wie slechts één uur had gewerkt,
ontving ook een penning.
Toen verwachtten de eersten méér,
maar hun loon was ook een penning.
Vers 4
Morrend kwamen zij tot Hem:
"Wij droegen hitte, last en zweet.
Hoe ontvangen zij hetzelfde,
die nauwelijks hebben meegewerkt?"
Maar de Heer sprak zacht en ernstig:
"Vriend, doe Ik u enig onrecht?
Waren wij niet overeengekomen,
Dat u deze dag voor een penning zou komen.
Vers 5
"Mag Ik met het Mijne doen,
wat Mij goeddunkt in Mijn raad?
Is uw oog soms boos geworden,
omdat Ik goed ben in Mijn daad?"
Niet de mens bepaalt de genade,
niet verdienste opent de deur.
God ontfermt naar Zijn welbehagen,
tot verheerlijking van Zijn eer.
Refrein
Genade kent geen mensenmaat,
zij vloeit uit Gods ontferming.
Niet wie 't langst heeft gewerkt,
maar wie leeft van Zijn genade.
Eén is 't loon voor al Gods kinderen,
één is Christus, één het leven.
Niet verdiend door eigen werken,
maar uit vrije gunst gegeven.
Vers 6
Zo zijn de laatsten vaak de eersten,
en de eersten achteraan.
Want de Heer der wijngaard geeft het leven,
zoals het Hem behaagd.
Wie tot Christus wordt geroepen,
vroeg of laat in 's levenstijd,
roemt niet in zijn eigen arbeid,
maar in Gods barmhartigheid.
Over dit lied
De Heer van de wijngaard
De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard staat in Mattheüs 20:1–16. Jezus vertelt over een heer die arbeiders zoekt om in zijn wijngaard te werken. Vroeg in de morgen gaat hij uit en spreekt met de eerste arbeiders een loon af van één penning voor de dag.
Maar daarmee is zijn zoektocht niet voorbij. Omstreeks het derde, zesde en negende uur gaat hij opnieuw naar de markt en telkens stuurt hij arbeiders naar zijn wijngaard. Zelfs rond het elfde uur, wanneer de werkdag bijna voorbij is, vindt hij nog mensen die werkeloos staan.
„Wat staat gij hier den gehelen dag ledig?”
Zij antwoorden dat niemand hen gehuurd heeft. Ook tegen hen zegt de heer:
„Gaat ook gij heen in den wijngaard; en zo wat recht is, zult gij ontvangen.”
Hetzelfde loon
Wanneer de avond valt, laat de heer zijn arbeiders uitbetalen. Tot verbazing van iedereen begint hij bij degenen die het laatst gekomen zijn. De arbeiders van het elfde uur ontvangen een volledige penning.
De mannen die vanaf de vroege morgen gewerkt hebben, verwachten daarom méér te krijgen. Zij hebben immers de last en de hitte van de hele dag gedragen. Maar ook zij ontvangen precies de penning die met hen was afgesproken.
Daarover beginnen zij te morren.
De heer antwoordt echter dat hij hun geen onrecht doet. Zij ontvangen precies wat hij hun beloofd heeft. Vervolgens vraagt hij:
„Is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?”
Wat bedoelt Jezus hiermee?
De gelijkenis laat zien dat Gods genade geen loon is dat een mens door zijn prestaties verdient.
De arbeiders die vanaf de vroege morgen werkten, begonnen te rekenen. Zij vergeleken hun inspanning met die van de anderen en vonden dat zij daarom recht hadden op meer. Maar juist daar legt Jezus iets van het menselijke hart bloot: zelfs in het dienen van God kunnen wij gaan denken in termen van verdienste.
Het Koninkrijk der hemelen werkt anders.
De heer was niet onrechtvaardig tegenover de eersten — zij kregen alles wat hun beloofd was. Maar tegenover de laatsten was hij buitengewoon goed en genadig. Hun loon stond niet in verhouding tot het kleine gedeelte van de dag dat zij gewerkt hadden.
Daarmee wijst de gelijkenis op een belangrijk beginsel van het Evangelie:
Gods genade wordt niet verdiend, maar geschonken.
De eersten en de laatsten
De gelijkenis staat bovendien niet los van het voorafgaande hoofdstuk. In Mattheüs 19 vraagt Petrus, nadat de rijke jongeling is weggegaan:
„Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal ons dan geworden?”
Jezus belooft Zijn discipelen rijkelijk te zullen vergelden, maar waarschuwt vervolgens:
„Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.”
Daarna volgt onmiddellijk de gelijkenis van de wijngaard. Aan het einde klinkt opnieuw:
„Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten.”
Dat helpt om de bedoeling te begrijpen. Ook iemand die Christus al lang dient, kan ongemerkt gaan rekenen met zijn eigen verdiensten. Maar niemand kan tegenover God zeggen: Ik heb langer gewerkt, meer opgeofferd of trouwer gediend; daarom heb ik meer recht op Uw genade.
Voor God blijft alles genade.
Ook voor wie laat komt
Tegelijk bevat de gelijkenis een bijzondere vertroosting. Zelfs degenen die pas op het elfde uur geroepen werden, mochten nog de wijngaard binnengaan.
Daarom is het nooit een argument om weg te blijven omdat iemand denkt: Mijn leven is al grotendeels voorbij. Ik heb God zo lang niet gezocht. Voor mij is het te laat.
De heer ging óók op het elfde uur uit.
Niet omdat dat ene uur werken evenveel prestatie opleverde als een hele dag werken, maar omdat zijn goedheid groter was dan hun verdienste.
Dat is uiteindelijk de kern van De Heer van de wijngaard:
Niet wat de arbeider verdient staat centraal, maar de goedheid van de Heer. De mens rekent met verdienste; God handelt uit genade. En wie vroeg of laat geroepen wordt, heeft alles aan die genade te danken.
Bijbelgedeelte: Mattheüs 19:27–30 en Mattheüs 20:1–16.