MP3
Bijbelgedeelten
- Zie uitleg onder.
Songtekst
DE RIJKE JONGELING
Vers 1
Toen de Heiland was op weg,
kwam een jongeling tot Hem aan.
Hij knielde neer, bezat veel schatten,
en vroeg hoe hij voor God kon staan.
Van jongs af hield hij Gods geboden,
zo had hij naar zijn woord geleefd.
Toch vroeg hij knielend aan de Meester
wat hem het eeuwig leven geeft.
Vers 2
„Goede Meester, wat moet ik doen?
Wat ontbreekt mij nog, o Heer?”
Hij zocht nog iets om te volbrengen,
een werk, een voorschrift, misschien meer.
Hij dacht met al zijn goede werken
voor God te kunnen blijven staan.
Maar Jezus zag hem aan met liefde
en wees hem waar zijn hart aan hing.
Vers 3
„Eén ding ontbreekt u: geef uw rijkdom
aan armen; kom en volg dan Mij.
Dan zult gij schatten in de hemel
ontvangen, blijvend en nabij.”
De jongeling werd zeer bedroefd;
zijn hart zat aan zijn goed nog vast.
Hij ging bij Jezus weg in droefheid,
en droeg zijn rijkdom als een last.
Slot
Ook ik kan vragen naar het leven
en toch vertrouwen op mijn goed;
mijn eigen werken bij U brengen,
alsof ik daarmee komen moet.
Heer, leer mij leven uit genade,
en toon mij waar mijn hart aan kleeft.
Geen aardse schat kan redding geven;
’t is Christus Die het leven geeft.
Over dit lied
De rijke jongeling
De geschiedenis van de rijke jongeling wordt beschreven in Mattheüs 19:16–30, Markus 10:17–31 en Lukas 18:18–30. De drie evangelisten belichten ieder een bijzonder aspect: Mattheüs noemt hem een jongeling, Lukas noemt hem een overste en alle drie vertellen dat hij zeer rijk was.
De jongeling kwam haastig naar Jezus toe, knielde voor Hem neer en vroeg: „Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?” (Markus 10:17). Zijn vraag was ernstig en oprecht. Hij verlangde naar het eeuwige leven en zocht daarvoor het antwoord bij Jezus. Tegelijk verried zijn vraag ook zijn diepste misvatting: hij vroeg wat hij nog moest doen. Hij dacht dat het eeuwige leven door gehoorzaamheid en goede werken verdiend kon worden.
Jezus wees hem op de geboden: niet doden, geen overspel doen, niet stelen, geen vals getuigenis geven en vader en moeder eren (Mattheüs 19:18–19). De jongeling antwoordde dat hij deze geboden vanaf zijn jeugd had onderhouden. Naar de uiterlijke betekenis van de wet had hij blijkbaar voorbeeldig geleefd. Toch voelde hij dat er iets ontbrak: „Wat ontbreekt mij nog?” (Mattheüs 19:20).
Dan lezen we een ontroerende bijzonderheid: „En Jezus, hem aanziende, beminde hem” (Markus 10:21). Christus keek niet met hardheid of verachting naar deze jongeman. Hij zag zijn ernst, zijn keurige levenswandel en zijn oprechte zoeken. Juist in liefde wees Hij hem aan waar zijn hart werkelijk aan vastzat.
Jezus sprak: „Eén ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij” (Markus 10:21). Dit was geen extra werk waarmee de jongeling het eeuwige leven kon verdienen. Christus legde door dit bevel bloot dat hij de wet niet werkelijk volkomen hield. Zijn rijkdom had de eerste plaats in zijn hart ingenomen. Hij kon zijn bezit niet loslaten om Christus te volgen.
De jongeling werd bedroefd en ging treurig weg, „want hij had vele goederen” (Markus 10:22). Zijn rijkdom was niet alleen iets wat hij bezat; zijn rijkdom bezat ook hem. Hij verlangde naar het eeuwige leven, maar wilde tegelijk vasthouden aan de zekerheid, aanzien en onafhankelijkheid die zijn bezit hem gaf.
Daarop sprak Jezus over het gevaar van rijkdom: „Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan!” (Markus 10:23). Het probleem ligt niet in bezit op zichzelf, maar in het vertrouwen erop. Geld en goederen kunnen het hart de indruk geven dat het zichzelf kan redden, beschermen en onderhouden. Daarom voegde Jezus eraan toe: „Kinderen! hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!” (Markus 10:24).
De discipelen vroegen ontsteld: „Wie kan dan zalig worden?” Jezus antwoordde: „Bij de mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God” (Markus 10:26–27). Daar ligt de kern van deze geschiedenis. De rijke jongeling vroeg wat hij moest doen, maar Christus liet zien dat geen mens zichzelf kan zalig maken. Het eeuwige leven kan niet worden verdiend door bezit, gehoorzaamheid of goede werken. Zalig worden is een wonder van Gods genade.
De geschiedenis stelt ook ons de vraag waaraan ons hart het diepst verbonden is. Dat hoeft niet alleen geld of bezit te zijn. Het kan ook gaan om onze goede naam, godsdienstigheid, kennis, prestaties of eigen gehoorzaamheid. Alles waarop wij buiten Christus vertrouwen, kan tussen Hem en ons hart komen te staan.
De rijke jongeling ging bedroefd weg, maar Christus’ liefdevolle woorden blijven klinken: laat los waarop u vertrouwt, neem het kruis op en volg Mij. Niet onze werken, maar Christus alleen geeft het leven. „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme” (Efeze 2:8–9).