MP3
Bijbelgedeelten
- Psalm 130
Psalmberijming 1773
Songtekst
Vers 1
Uit diepten van ellenden
Roep ik, met mond en hart,
Tot U, die heil kunt zenden;
O HEER, aanschouw mijn smart;
Wil naar mijn smeekstem horen;
Merk op mijn jammerklacht;
Verleen mij gunstig' oren,
Daar 'k in mijn druk versmacht.
Vers 2
Zo Gij in 't recht wilt treden,
O HEER, en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, HEER, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.
Vers 3
Ik blijf den HEER verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den HEER,
Dan wachters op den morgen;
Den morgen, ach, wanneer?
Vers 4
Hoopt op den HEER, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.
Over dit lied
Achtergrond
Psalm 130 is een gebed uit de diepte, waarin de dichter tot de HEERE roept om genade. Hij belijdt dat niemand voor God kan bestaan wanneer Hij de ongerechtigheden gadeslaat, maar dat bij Hem vergeving is. Daarom wacht hij verlangend op de HEERE en op Zijn Woord, meer dan wachters op de morgen. De psalm eindigt met de oproep aan Israël om op de HEERE te hopen, want bij Hem is goedertierenheid en overvloedige verlossing.