MP3
Bijbelgedeelten
- Psalm 45
- Zie ook de beschrijving onder de songtekst.
Psalmberijming 1773
Songtekst
Vers 1
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op uw lippen uitgestort,
Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Vers 2
Gord, gord, o Held, uw zwaard aan uwe zijde,
Uw blinkend zwaard, zo scherp gewet ten strijde;
Vertoon uw glans, vertoon uw majesteit;
Rijd zegenrijk in uwe heerlijkheid
Op 't zuiv're woord der waarheid; rijd voorspoedig,
En heers alom rechtvaardig en zachtmoedig;
Uw rechterhand zal 't Godd'lijk rijk behoên,
En in den krijg geduchte daden doen.
Vers 3
Uw pijlen, fel van uwen boog gedreven,
Zijn scherp, en doen gehele volken beven;
Zij vellen neer, wat uw vermogen tart,
En dringen diep in 's vijands wreev'lig hart.
Gij zult, o God, in eeuwigheid bekleden,
Den vasten troon van uw gerechtigheden;
De rijksstaf, dien uw hoge Majesteit
In 't Godsrijk zwaait, heerst met rechtmatigheid.
Vers 4
O God! uw God heeft mild U overgoten
Met vreugdezalf, meer dan uw meêgenoten,
Omdat Uw ziel de goddeloosheid haat,
En 't recht bemint. Uw vorst'lijk rijksgewaad,
U toegevoerd uit elpenbenen hoven,
Vol eed'len geur, doet elk uw hoogheid loven;
Hoe ruikt de mirr' en kassie wijd en zijd,
En d' aloë, wier geur uw ziel verblijdt!
Vers 5
Men ziet u blij, in statelijke reien,
Door docht'ren zelfs van koningen geleien;
De koningin staat aan uw rechterhand
ln 't fijnste goud van Ofirs mijnrijk land.
O Dochter, hoor, en zie, en neig uw oren;
Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren,
Uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen
U dierbaar en beminnenswaardig scheen.
Vers 6
Dan zal de Vorst van al uw schoon getuigen.
Hij is uw HEER, dies moet g' u voor Hem buigen.
'k Zie Tyrus dan, die rijke wereldstad,
U hulde doen, en off'ren schat op schat.
De Koningstelg, die Hij zijn bruid wil noemen,
Is meest om haar inwendig schoon te roemen;
't Borduursel is, naar vorstelijken staat,
Van louter goud gewerkt in 't praalgewaad.
Vers 7
Straks leidt men haar in statie, uit haar woning,
In kleding, rijk gestikt, tot haren Koning;
Zo treedt zij voort met al den maagdenstoet,
Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen,
Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof,
Ter bruiloft treên in 't koninklijke hof.
Vers 8
In plaats van uw doorlucht' en vrome vaad'ren,
Zult Gij eerlang uw zonen zien vergaad'ren,
En stellen hen, door uw geduchte hand,
Al 't aardrijk door, in vorstelijken stand.
Ik zal uw naam bij elk geslacht doen kennen;
Van kind tot kind zal 't zich aan U gewennen;
Zo rolt Uw lof op 't ruime wereldrond,
In eeuwigheid, uit aller volk'ren mond.
Over dit lied
Achtergrond
Psalm 45 is een koninklijk bruiloftslied. De dichter bezingt een machtige en rechtvaardige Koning, Die uitgaat in heerlijkheid en strijdt voor waarheid, zachtmoedigheid en gerechtigheid. Zijn troon is voor eeuwig en de scepter van Zijn Koninkrijk is een scepter van rechtmatigheid. Zijn kleding geurt van mirre, aloë en kassie.
Vervolgens wordt de bruid aangesproken. Zij wordt geroepen haar vroegere leven achter zich te laten en zich geheel aan de Koning toe te vertrouwen. In kostbare kleding wordt zij tot Hem geleid, omringd door vreugde en blijdschap.
Hoewel Psalm 45 in de eerste plaats een koninklijke bruiloft beschrijft, wijst hij bovenal heen naar Christus. In Hebreeën 1 worden de woorden over de eeuwige troon rechtstreeks op de Zoon toegepast. De Koning is daarom een beeld van Christus, Die regeert in waarheid en gerechtigheid. De bruid verwijst naar Zijn gemeente, die wordt geroepen alles te verlaten en Hem lief te hebben, te eren en te volgen.
Psalm 45 bezingt zo de heerlijkheid van Christus, Zijn eeuwige koningschap en de vreugdevolle verbondenheid tussen de hemelse Bruidegom en Zijn bruid.
Bijbelgedeelte: Psalm 45:1–18; Hebreeën 1:8–9.