← Terug naar Liederen
Lied

Nimrod en Babel

Na de vloed bouwde Nimrod zijn rijk en werd de toren van Babel gebouwd.

Genesis

Cover van Nimrod en Babel
Beluisteren

MP3

15:06
Bijbelgedeelten

Bijbelgedeelten

  • Genesis 10 en 11. Zie ook uitleg onder.
Songtekst

Songtekst

NIMROD EN BABEL

DEEL 1 - NIMROD EEN GEWELDIGE OP AARDE

Vers 1

Na de vloed kwamen de volken

uit de zonen van Noach voort.

Uit het huis van Cham kwam Cus,

en uit Cus kwam Nimrod voort.

Deze ving aan op de aarde

een geweldige te zijn;

een machtig jager werd hij

voor het aangezicht des HEEREN.

Vers 2

In het land van Sinear

lag het begin van Nimrods rijk:

Babel, Erech, Akkad, Kalne,

steden machtig in die tijd.

Verder noemt de Schrift nog andre steden,

rijken groeiden op de aard’.

Mensen werden weer tot volken,

ieder zoekend naar zijn plaats.

Slot

Na de vloed begon opnieuw

menselijke macht te groeien.

Maar hoe groot een mens kan worden,

God blijft Heere over allen.

DEEL 2 - LAAT ONS EEN NAAM MAKEN

Vers 3

Heel de aarde sprak één taal,

woorden waren overal gelijk.

Toen zij naar het oosten trokken,

vonden zij het land Sinear.

Daar besloten zij te wonen,

en zij spraken tot elkaar:

„Komt, laat ons nu stenen maken,

en die bakken in het vuur.”

Vers 4

„Komt, laat ons een stad gaan bouwen,

en een toren, hemelhoog.

Laat zijn top ten hemel reiken,

machtig voor een ieders oog.

Laat ons voor onszelf maken een naam,

laat ons hier tezamen staan;

opdat wij niet worden verstrooid

over heel de aarde heen.”

Vers 5

Maar God had na de vloed gesproken:

„Weest vruchtbaar, vult de aarde weer.”

Over heel de aard’ moesten zij wonen,

naar het woord van God den HEER’.

Maar zij wilden samenblijven,

bouwden stad en toren daar;

niet verstrooid te zijn op aarde,

gingen zij hun eigen raad.

Slot

Zich een eigen naam te maken,

was het streven van hun hart;

niet verstrooid te zijn op aarde,

zonder acht te slaan op God.

DEEL 3 - DE HEERE KWAM NEDER

Vers 6

Maar de HEERE kwam toen neder,

zag de stad en zag de toren,

die de mensenkinderen bouwden

in het land van Sinear.

„Zie, zij zijn één volk tezamen,

allen spreken zij één taal;

dit is wat zij zijn begonnen,

niets weerhoudt hen in hun werk.”

Vers 7

Toen sprak God: „Laat Ons nedergaan,

en hun taal aldaar verwarren,

dat zij niet meer kunnen horen

wat hun naaste tot hen spreekt.”

Niemand kon de ander verstaan,

niemand kon het werk vervolgen;

wat zij samen waren begonnen,

konden zij niet verder bouwen.

Slot

Eén van taal en één in streven,

gingen mensen eigen wegen;

maar de HEERE zag hun werken,

en kwam neder met Zijn raad.

DEEL 4 - DAAROM NOEMDE MEN HAAR BABEL

Vers 8

Toen verstrooide hen de HEERE

van aldaar over heel de aard’.

En de stad die zij begonnen,

werd door hen niet afgemaakt.

Waar één taal hen had verbonden,

klonken vele talen nu.

Mensen trokken naar de landen,

volk na volk ging van daar uit.

Vers 9

Daarom werd die plaats genoemd:

Babel, plaats van de verwarring;

want de HEERE had daar hun taal

over heel de aard’ verward.

Van die plaats heeft toen de HEERE

hen verstrooid over heel de aard’;

en zij hielden op met bouwen

aan de stad van Babel daar.

Slot

Zij wilden niet verstrooid gaan wonen,

maar tezamen blijven staan;

toen verstrooide hen de HEERE

over heel de aarde heen.

Wat Hij na de vloed had gesproken,

werd naar Zijne raad volbracht:

volken trokken over de aarde,

onder ’s HEEREN hand en macht.

DEEL 5 - INTERMEZZO

DEEL 6 - GOD VOLVOERT ZIJN WIL

Vers 10

Na de vloed bleef ’s mensen harte

tot het kwade steeds geneigd;

weer ging hij zijn eigen wegen,

weer werd menselijke macht getoond.

Maar de HEERE zag hun werken,

en Hij greep opnieuw weer in;

’s mensen raad moest voor Hem wijken,

God volvoert Zijn eigen wil.

Achtergrond

Over dit lied

Nimrod en Babel

Nimrod was een achterkleinzoon van Noach, uit het geslacht van Cham. De Bijbel beschrijft hem als iemand die „geweldig begon te zijn op de aarde” en als „een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN”. Het begin van zijn rijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalné, gelegen in het land Sinear (Genesis 10:6–12). Nimrod wordt daarmee verbonden aan het ontstaan van machtige steden en het eerste koninkrijk dat na de zondvloed wordt genoemd.

In dezelfde landstreek vestigden de nakomelingen van Noach zich op een vlakte. Omdat zij allemaal nog dezelfde taal spraken, besloten zij een stad en een toren te bouwen. De toren moest tot aan de hemel reiken. Zij zeiden: „Laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden” (Genesis 11:1–4).

Hun onderneming kwam voort uit menselijke hoogmoed en uit verzet tegen Gods bedoeling. Na de zondvloed had God de mensen bevolen zich over de aarde te vermenigvuldigen en haar te vervullen (Genesis 9:1 en 9:7). De bouwers van Babel wilden juist bijeenblijven, zichzelf een naam maken en door eigen kracht groot en veilig worden. De stad en de toren werden zo zichtbare tekenen van menselijke zelfverheffing en onafhankelijkheid van God.

De HEERE daalde neer en verwarde hun taal, zodat zij elkaar niet langer konden verstaan. Het gezamenlijke werk viel stil en de mensen werden vandaar over de gehele aarde verstrooid. Daarom kreeg de stad de naam Babel, omdat de HEERE daar de taal van de hele aarde verwarde (Genesis 11:5–9).

De Bijbel zegt niet uitdrukkelijk dat Nimrod persoonlijk opdracht gaf tot de bouw van de toren. Omdat Babel het begin van zijn rijk was (Genesis 10:10), wordt hij vanouds wel met de stad en de torenbouw verbonden. Zeker is dat Nimrods rijk en de toren van Babel beide laten zien hoe de mens na de zondvloed opnieuw zijn eigen grootheid en macht zocht.

De geschiedenis van Babel waarschuwt ons dat menselijke plannen niet kunnen standhouden wanneer zij tegen Gods wil ingaan. De mensen wilden zichzelf een naam maken, maar hun werk bleef onafgemaakt en zij werden toch verstrooid. „De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken. Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid” (Psalm 33:10–11).

Waar Babel spreekt van menselijke hoogmoed, verwarring en verstrooiing, laat Pinksteren later een bijzonder tegenbeeld zien. In Jeruzalem hoorden mensen uit vele volken de grote werken van God ieder in hun eigen taal verkondigen (Handelingen 2:5–11). Niet de naam van de mens, maar de Naam van God werd grootgemaakt.

Toevoegen aan playlist

Naar mijn playlists →