← Terug naar Liederen
Lied

Gij kunt niet liegen

Gods Woord is getrouw. God kan niet liegen.

Jeremia, Ezechiel, Markus, Johannes, Titus, 1 Johannes

Cover van Gij kunt niet liegen
Beluisteren

MP3

3:58
Bijbelgedeelten

Bijbelgedeelten

  • Zie uitleg onderaan pagina.
Songtekst

Songtekst

Vers 1

Mijn hart verlangt U toe te behoren,

Uw stem te volgen, naar U te horen.

Bekeer mij HEERE’, trek mij tot U,

geef mij geloof en vernieuw mij nu.

Ik kan mijzelf geen leven geven,

noch uit mijn eigen krachten leven.

Maar Gij roept zondaars in hun nood;

Gij hebt geen lust in hun dood.

Vers 2

Toch vraagt mijn hart mij telkens weer:

„Is mijn berouw wel echt, o Heer’?

Is mijn geloof wel sterk en waar?

Is Uw genade ook voor mij daar?”

Dan zoek ik zekerheid in mij,

maar vind daar twijfel aan mijn zij.

Mijn eigen hart geeft mij geen grond;

waar vind ik rust voor mijn gemoed?

Vers 3

In Uw Woord leert Gij mij vragen naar Uw wil:

„Belijd uw schuld en kom tot Mij.”

Wie tot U komt, zult Gij niet weren,

wie schuld belijdt, die wordt vergeven.

Dat hebt Gij in Uw Woord beloofd,

opdat mijn hart Uw waarheid gelooft.

Gij zijt getrouw in wat Gij zegt;

Uw Woord is waar, Uw trouw is echt.

Vers 4

Mijn zekerheid rust niet in mij,

maar in Uw Woord, zo vast en vrij;

niet in mijn tranen of gevoel,

maar in het offer van Uw Zoon.

Wanneer mijn hart weer twijfelen wil,

maak mij voor Uw eigen spreken stil:

In Uw Woord lees ik, trouwe God,

Gij kunt niet liegen, daar rust ik op.

Achtergrond

Over dit lied

Achtergrond

GIJ KUNT NIET LIEGEN

Gij kunt niet liegen gaat over de worsteling tussen twijfel en geloofszekerheid. Een mens kan verlangen naar God, zijn zonden zien en tot Christus willen vluchten, maar tegelijk telkens weer naar zichzelf kijken: Is mijn berouw wel echt? Is mijn geloof wel sterk genoeg? Geldt Gods genade werkelijk ook voor mij?

Dit lied wijst voor het antwoord niet naar de kracht van ons geloof of naar ons gevoel, maar naar Gods eigen Woord en beloften. Hij leert ons onze zonden te belijden en tot Hem te gaan. Hij belooft de zonden te vergeven en te reinigen van alle ongerechtigheid. Daarom mag het geloof uiteindelijk buiten zichzelf rust vinden: in Christus en in het Woord van de God Die niet liegen kan.

Vers 1 – Het verlangen naar God
Het eerste vers verwoordt het verlangen om de Heere toe te behoren en Hem te dienen, maar ook het besef dat een mens zichzelf niet kan bekeren of geestelijk leven kan geven. Daarom klinkt het gebed: „Bekeer mij, HEERE’, en trek mij tot U.”

Bijbelgedeelten:
Jeremia 31:18 — „Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.” Ezechiël 33:11 — God heeft geen lust in de dood van de goddeloze, maar daarin dat hij zich bekere en leve. Johannes 6:44 — Niemand kan tot Christus komen, tenzij de Vader hem trekke.

Vers 2 – De twijfel ziet naar binnen
Wie zekerheid in zichzelf zoekt, kan steeds nieuwe vragen vinden. Is mijn berouw diep genoeg? Is mijn geloof echt genoeg? Heb ik mij wel werkelijk bekeerd? Het lied laat zien dat het eigen hart uiteindelijk geen vaste grond voor de zekerheid kan zijn.

Bijbelgedeelten:
Jeremia 17:9 — „Arglistig is het hart, meer dan enig ding.” Markus 9:24 — „Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.” 1 Johannes 3:19–20 — Wanneer ons hart ons veroordeelt, is God meerder dan ons hart.

Vers 3 – Vragen naar Gods wil
Hier ligt de kern van het lied. Johannes leert dat wij vrijmoedigheid mogen hebben wanneer wij iets naar Gods wil vragen. God heeft Zelf gezegd wat een zondaar mag doen: zijn zonden belijden en tot Christus komen. En daaraan heeft Hij Zijn beloften verbonden.

„Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.”1 Johannes 1:9

En Christus zegt: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.”Johannes 6:37
Daarbij sluit 1 Johannes 5:14–15 aan: als wij iets bidden naar Zijn wil, hoort Hij ons, en mogen wij weten dat wij de beden verkrijgen die wij van Hem gebeden hebben.
De zekerheid ligt daarom niet in de gedachte: mijn gebed is goed genoeg, maar in: God heeft Zelf gesproken en beloofd.

Vers 4 – Rusten op Gods belofte
Het laatste vers brengt de worsteling tot rust. De grond van de zekerheid ligt niet in onze tranen, ons gevoel of de kracht van ons geloof. Zij ligt buiten onszelf: in Christus, Zijn volbrachte werk en Gods betrouwbare Woord. Daarom eindigt het lied bij Titus 1:2, waar gesproken wordt over:

„God, Die niet liegen kan.”

Wat God werkelijk beloofd heeft, zal Hij niet terugnemen. Zijn Woord wordt niet waar doordat wij het sterk genoeg geloven; wij mogen het geloven omdat Hij waarachtig is.

Zo loopt door het hele lied één lijn:
Ik zie op mijzelf en twijfel → Gods Woord wijst mij naar Christus → God heeft Zijn belofte gegeven → God kan niet liegen → daarom mag het geloof op Zijn Woord rusten.