← Terug naar Liederen
Lied

De verloren zoon

De gelijkenis van de verloren zoon.

Lukas

Cover van De verloren zoon
Beluisteren

MP3

5:39
Bijbelgedeelten

Bijbelgedeelten

  • Lukas 15 1-2 en 11-32
  • Zie ook de beschrijving onder de songtekst.
Songtekst

Songtekst

Vers 1

Op een dag sprak een jonge zoon tot zijn vader,

“Geef mij wat mij toekomt vandaag.”

Hij nam zijn deel en trok naar verre landen,

vol van dromen, zonder vrees of vraag.

Daar leefde hij in grote weelde,

tot alles hem ontvallen was.

Zijn rijkdom ging verloren,

en honger kwam in zijn bestaan.

Vers 2

Geen brood bleef over voor zijn leven,

hij hoedde zwijnen in het veld.

Hij zag hoe zelfs de dieren aten,

terwijl hij zijn maag met honger kwelt.

Toen kwam hij tot bezinning,

zijn hart werd diep van schuld vervuld:

“Zelfs Mijn Vaders knechten,

hebben brood in overvloed,

maar ik keerde mij af van Zijn gunst.”

Vers 3

Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan,

en zeggen: “Vader, ik heb gezondigd.

Ik ben niet waard uw zoon te heten;

maak mij slechts een knecht van U."

Vers 4

De Vader zag hem van verre komen,

Zijn hart was met ontferming vervuld.

Hij snelde hem tegemoet,

sloot hem teder in Zijn armen,

en kuste Zijn verloren zoon.

Geen verwijt, maar volle genade,

geen afwijzing, maar grote vreugd.

Want deze zoon was dood maar weer levend,

was verloren, maar gevonden.

Vers 5

Voor de zoon kon eindigen zijn woorden,

beval de vader direct:

“Breng het mooiste kleed naar buiten,

en doe een ring aan zijn hand.

Geef hem schoenen aan zijn voeten,

slacht het gemeste kalf vandaag.

Laat muziek en blijdschap klinken,

want Mijn zoon is thuisgebracht vandaag.”

Vers 6

Maar buiten stond de oudste broer,

zijn hart werd zwaar van boos verdriet.

“Al die jaren heb ik U gediend,

maar zó’n feest gaf U mij niet.”

De vader sprak met zachte stem vol liefde:

“Mijn Kind, jij bent altijd bij Mij.

Al het Mijne is ook het uwe,

maar vreugde past bij wat geschiedt.”

Vers 7

"Want deze jouw broer was dood,

maar nu is hij weer levend,

hij was verloren en is gevonden."

Zo groot is Gods ontferming

voor ieder die tot Hem terugkeert.

Doe als de zoon,

belijdt uw zonden en ga naar Christus,

verootmoedigt u voor Zijn aangezicht.

Niemand heeft Hij ooit weggezonden,

U vindt genade bij de Heer.

Achtergrond

Over dit lied

De verloren zoon

De gelijkenis van de verloren zoon staat in Lukas 15:11–32. Het is een van de bekendste gelijkenissen van Jezus. Toch gaat het verhaal niet alleen over een zoon die verloren raakt en terugkeert. Het laat vooral zien hoe God verloren zondaren ontvangt — en hoe anders Zijn genade is dan het menselijke denken over verdienste.

De jongste zoon verlaat zijn vader

Een vader heeft twee zonen. De jongste vraagt hem om het deel van de goederen dat hem toekomt. Kort daarna verzamelt hij alles wat hij bezit en vertrekt naar een ver land.

Daar leeft hij zonder zijn vader en brengt hij zijn bezit door in een losbandig leven.

Daarin ligt een beeld van wat de zonde ten diepste is. De zoon wil wel de gaven van zijn vader, maar niet langer bij zijn vader zijn. Zo wil de mens van nature Gods goede gaven ontvangen, maar zijn eigen weg gaan zonder God.

De zoon denkt dat hij buiten het huis van zijn vader vrijheid zal vinden. In werkelijkheid raakt hij alles kwijt.

Van overvloed naar armoede

Wanneer zijn bezit verdwenen is, komt er ook nog een zware hongersnood. Uiteindelijk moet hij varkens hoeden en verlangt hij zelfs naar het voedsel dat de varkens eten.

Voor de Joodse hoorders van Jezus moet dit een bijzonder vernederend beeld zijn geweest. De man die dacht vrij te worden door zijn vader te verlaten, is uiteindelijk straatarm en onrein geworden.

Dan komt het beslissende moment:

„En tot zichzelven gekomen zijnde…”

Hij denkt terug aan het huis van zijn vader. Zelfs de huurlingen van zijn vader hebben brood in overvloed, terwijl hij van honger omkomt.

Hij besluit terug te gaan.

„Ik heb gezondigd”

De zoon probeert zijn daden niet goed te praten. Hij legt de schuld niet bij de omstandigheden of bij andere mensen.

Hij wil tegen zijn vader zeggen:

„Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.”

Dat is wezenlijk voor zijn terugkeer. Hij erkent zijn schuld en zijn onwaardigheid.

Hij denkt zelfs niet meer als zoon ontvangen te kunnen worden. Zijn plan is:

„Maak mij als een van uw huurlingen.”

Hij hoopt nog slechts op een plaats als knecht.

Maar dan gebeurt iets wat hij niet verwacht.

De vader ziet hem van verre

Jezus vertelt:

„En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen.”

De vader wacht niet koel af totdat zijn zoon voor hem staat en bewezen heeft dat zijn berouw echt is.

Hij loopt hem tegemoet.

Hij valt hem om de hals en kust hem.

De zoon begint zijn schuldbelijdenis: „Vader, ik heb gezondigd…” Maar voordat hij zijn voorgenomen aanbod kan doen om als huurling te gaan werken, geeft de vader opdracht:

„Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten.”

De zoon wilde terugkomen als knecht.

De vader ontvangt hem als zoon.

Genade vóór verdienste

Daar ligt een van de mooiste boodschappen van deze gelijkenis.

De verloren zoon brengt niets mee waarmee hij zijn plaats kan terugverdienen. Zijn geld is weg. Zijn leven is verwoest. Hij kan zijn vader alleen zijn schuld belijden.

En juist daar blijkt de overvloed van de genade van de vader.

Het beste kleed wordt hem aangedaan. Hij ontvangt een ring en schoenen. Het gemeste kalf wordt geslacht en er wordt feest gevierd.

Waarom?

„Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.”

De vreugde ontstaat niet omdat de zoon zichzelf heeft hersteld, maar omdat de verlorene is teruggekeerd en door zijn vader ontvangen wordt.

De oudste zoon

Maar daarmee is de gelijkenis nog niet afgelopen.

De oudste zoon hoort de muziek en het feest en wordt boos. Hij wil niet naar binnen gaan. Tegen zijn vader zegt hij dat hij hem al zoveel jaren dient en nooit zijn gebod heeft overtreden. Toch heeft hij nooit zo’n feest gekregen.

Hier komt een tweede vorm van verlorenheid aan het licht.

De jongste zoon was ver van zijn vader verwijderd door zijn openlijke zonde. De oudste zoon woont bij zijn vader, maar denkt in termen van verdienste:

Ik heb u zoveel jaren gediend; daarom heb ik recht op meer.

Daarmee sluit deze gelijkenis verrassend aan bij de arbeiders in de wijngaard. Ook daar ontstaat onvrede wanneer mensen hun eigen dienst gaan vergelijken met de genade die een ander ontvangt.

Waarom vertelde Jezus deze gelijkenis?

Het begin van Lukas 15 is hiervoor belangrijk. Tollenaars en zondaars komen naar Jezus luisteren. De Farizeeën en Schriftgeleerden morren daarover:

„Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.”

Als antwoord vertelt Jezus drie gelijkenissen:

het verloren schaap, de verloren penning, en de verloren zoon.

Steeds klinkt dezelfde beweging:

verloren → gevonden → blijdschap.

De jongste zoon weerspiegelt daarmee de tollenaars en zondaars die tot Jezus kwamen. De oudste zoon houdt juist de Farizeeën en Schriftgeleerden een spiegel voor. Zij stonden dichtbij de godsdienst, maar konden zich niet verheugen wanneer verloren zondaren door Christus werden ontvangen.

De Vader ontvangt verloren zondaren

De gelijkenis leert daarom niet dat zonde onbelangrijk is. Integendeel: de zoon moet erkennen:

„Ik heb gezondigd.”

Maar zijn zonde blijkt niet groter te zijn dan de ontferming van zijn vader.

Daar ligt de troost van deze gelijkenis. De terugkerende zoon hoeft niet eerst zijn schuld af te betalen voordat hij ontvangen kan worden. Hij komt zoals hij is, met niets anders dan zijn schuld en zijn belijdenis.

En de vader komt hem tegemoet.

Zo wijst de gelijkenis op de genade van God tegenover verloren zondaren: wie met zijn schuld tot Hem terugkeert, ontdekt niet een Vader Die met tegenzin vergeeft, maar een God bij Wie vreugde is over één zondaar die zich bekeert.

De kern van De verloren zoon zou je daarom kunnen samenvatten:

Hij ging weg als zoon, kwam terug om knecht te worden, maar werd door zijn vader opnieuw als zoon ontvangen.

Niet zijn verdienste bracht hem thuis, maar de ontferming van zijn vader.

Bijbelgedeelte: Lukas 15:1–2, 11–32.

Toevoegen aan playlist

Naar mijn playlists →