MP3
Bijbelgedeelten
- Psalm 91
- Zie ook de beschrijving onder de songtekst.
Psalmberijming 1773
Songtekst
Vers 1
Hij, die op Gods bescherming wacht,
Wordt door den hoogsten Koning
Beveiligd in den duist'ren nacht,
Beschaduwd in Gods woning.
Dies noem ik God, zo goed als groot
Voor hen, die op Hem bouwen,
Mijn burcht, mijn toevlucht in den nood,
Den God van mijn betrouwen.
Vers 2
Hij zal uit 's vogelvangers net
U veilig doen ontkomen;
Hij is het, die uw leven redt;
Gij hebt geen pest te schromen;
Hij zal, in lijfs- en zielsgevaar,
U met Zijn vleug'len dekken;
Zijn waarheid u ten beukelaar,
En ter rondas verstrekken.
Vers 3
De schrik des nachts doet u niet vliên,
Waarvoor de bozen beven;
Geen pijlen hoeft gij 's daags t' ontzien,
Die hevig om u zweven;
De pest, met welk een snellen spoed,
Zij moog' in 't duist're waren,
Noch 't streng verderf, dat 's middags woedt,
Zal uwe ziel vervaren.
Vers 4
Gij zult aan d' een en d' and're hand,
Tienduizenden zien vallen;
Terwijl gij, in gerusten stand,
Bewaakt blijft boven allen.
Het dreigend leed vliegt u voorbij;
Alleenlijk zien uw ogen,
Hoe schrikk'lijk 't loon der bozen zij,
Die d' Almacht niet verhogen.
Vers 5
Ik steun op God, mijn toeverlaat,
Dies heb ik niets te vrezen.
Wie God vertrouwt, die deert geen kwaad;
Uw tent zal veilig wezen;
Hij zal Zijn engelen gebiên,
Dat z' u op weg bevrijden;
Gij zult hen, in gevaren, zien
Voor uw behoud'nis strijden.
Vers 6
Zij zullen u, Gods gunstgenoot,
Naar 's Hoogsten welbehagen,
Opdat gij aan geen steen u stoot,
Op hunne handen dragen.
Gij zult op jonge leeuwen treên,
Op giftig' adders stappen,
En door gevaar noch vrees bestreên,
Den leeuw en draak vertrappen.
Vers 7
"Dewijl zijn ziel Mij teêr bemint"
(Dus laat God Zelf Zich horen),
"Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind,
Een heilrijk lot beschoren;
Omdat hij Mijnen naam erkent,
Zal hem Mijn gunst verzellen;
Ik zal hem redden uit d' ellend',
En op een hoogte stellen."
Vers 8
"Hij zal, in alle ramp en pijn,
Tot Mij om uitkomst zuchten,
En Ik gestadig bij hem zijn
In al zijn ongenuchten;
't Gevaar zal Ik hem doen ontvliên;
Zijn levensdagen rekken;
'k Zal hem Mijn eer en heil doen zien,
En nooit Mijn hulp onttrekken.".
Over dit lied
Psalm 91 is een psalm van vertrouwen, bescherming en geborgenheid. Wie zijn toevlucht zoekt bij de Allerhoogste, mag schuilen onder de schaduw van de Almachtige. God wordt voorgesteld als een veilige toevlucht en een sterke burcht, op Wie te midden van alle gevaren vertrouwd mag worden.
De psalm noemt dreigingen die zowel zichtbaar als verborgen zijn: de strik van de vogelvanger, de verderfelijke pest, de verschrikking van de nacht en de pijl die overdag vliegt. Toch hoeft degene die op de HEERE vertrouwt niet door angst beheerst te worden. God bedekt hem met Zijn vlerken; onder Zijn vleugels vindt hij bescherming. Gods waarheid is daarbij als een schild en een pantser.
Ook wanneer de gelovige door gevaarlijk gebied gaat, blijft de HEERE over hem waken. Hij beveelt Zijn engelen hem te bewaren. Leeuw en adder, beelden van machtige en listige vijanden, zullen hem uiteindelijk niet overwinnen.
Dat betekent niet dat Gods kinderen nooit moeite, ziekte of verdriet zullen ervaren. De psalm belooft wel dat zij daarin niet alleen zijn. De HEERE zegt: „In de benauwdheid zal Ik bij hem zijn.” Hij redt, bewaart en eert hen die Hem liefhebben en Zijn Naam kennen.
Psalm 91 roept daarom niet op tot zorgeloosheid, maar tot een leven dicht bij God. De diepste veiligheid ligt niet in gunstige omstandigheden, maar in het kennen van de HEERE als onze Toevlucht. Onder Zijn vleugels is rust, zelfs wanneer het rondom ons donker en onrustig is.
Bijbelgedeelte: Psalm 91:1–16.